Posts tonen met het label Gedichtstaren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gedichtstaren. Alle posts tonen

Gedichtstaren (22)


In het gedicht ‘De dader’ zet Ida Gerhardt zichzelf – de dichteres - neer als een schuldige, iemand die iets te verwijten valt. Hoe bont ze het heeft gemaakt is onduidelijk. Wel schrijft ze: ‘Jong een dwaas en oud een dwaas gebleven’.
Ze kan zich voorstellen dat mensen willen laken wat er geschreven staat, in ‘zwarte regelen op het wit papier’. De verzen spreken voor zich, zegt ze. ‘Sla het blad slechts op: en het is hier.’ Ook als iemand wil oordelen over haar leven: ‘Sla het blad slechts op: en ik ben hier.’
De dichteres en haar dichtkunst zijn één.

2 juli 2013 – 868

Gedichtstaren (21)


Welke dichter heeft niet gedicht over het dichten? Ida Gerhardt (1905-1997) schreef daarover een vers in middenrijm, dat even sober als treffend is. En dat na een week staren alleen maar aan kracht wint.

De dader

Zwarte regelen op het wit papier.
En niets anders had ik ooit te geven.
Wilt gij laken wat er staat geschreven
sla het blad slechts op: en het is hier.
Zwarte regelen op het wit papier.
Jong een dwaas en oud een dwaas gebleven.
Wilt gij oordelen over mijn leven,
sla het blad slechts op: en ik ben hier.

                           Uit: Hoefprent van Pegasus (1996)

25 juni 2013 – 861

Gedichtstaren (20)


‘Op een ochtend word je wakker midden in klank’. 
In de beginstrofe van ‘dichter wordende’ (100w nr. 830) laat Antjie Krog zien dat je op een dag zomaar als dichter kunt ontwaken. Dat je de klank hoort en de voelspriet hebt om ‘de lichtste beroering van licht en verlies in klank te ijken’.
Klank, daar gaat het de dichter om. Zoeken naar het ‘precieze ogenblik waarop een versregel volloopt in klank’ en het woord zich overgeeft aan geluid. ‘De enige waarheid staat geveld in klank’. En als de dichter dicht met haar tong, haalt ze ‘diep uit haar oor’ adem.

1 juni 2013 – 837

Gedichtstaren (19)


Een week lang staren naar dit gedicht van de Zuid-Afrikaanse Antjie Krog. Uit de bundel Wat de sterren zeggen (2004).

dichter wordende

op een ochtend word je wakker midden in de klank
met vocaal en klinker en diftong als voelspriet
om met aarzelende zorg de lichtste beroering
van licht en verlies in klank te ijken

om jezelf onmiddellijk geknield te vinden
boven de hoorbaar kloppende wand
van een woord – zoekend naar het precieze
ogenblik waarop een versregel volloopt in klank

wanneer de betekenis van een woord zwicht,
begint te glijden en zich eindelijk overgeeft aan geluid
van dat ogenblik af smacht het bloed naar de incantatie
van taal – de enige waarheid staat geveld in klank

de dichter dicht met haar tong
zij haalt adem – ja, diep uit haar oor

25 mei 2013 – 830

Gedichtstaren (18)


In ‘Voor vader’ (nr.798) beschrijft Hans Lodeizen de moeizame relatie met zijn vader, als het verschil tussen dag en nacht. Ze zaten in de langzame trein, de nachttrein, terwijl het donker hen dichtsloeg. Ze wisten niet hoe ze elkaar moesten verstaan. Hun gesprek stokte, sloeg dicht.
Was het maar dag. In de vrolijke bries van een groene auto zou hij zijn vader willen ontmoeten. Hij vraagt zich af waar hij is.
De dichter twijfelt zelfs of de dageraad werkelijk komt, om schemering en zachte genezing te brengen. Zijn lippen, teder, zijn gesloten. Hij zwijgt en schrijft een teder afscheid.

29 april 2013 – 804

Gedichtstaren (17)


Hans Lodeizen had een groot dichtersleven voor zich toen hij in 1950 op 26-jarige leeftijd overleed. Op zijn sterfbed schreef hij dit gedicht aan zijn vader, met wie hij een moeizame relatie had gehad. Is een week staren genoeg?

Voor vader

o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt zijn wij samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.

waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.

23 april 2013 – 798

Gedichtstaren (16)


Vorm en inhoud versmelten in dit gedicht van Bert Schierbeek (100w nr.768). Al lezende ervaar je de roes van het lachen die onstuitbaar lijkt. Het was namelijk niet zomaar wat lachen, ‘gvd wat hebben we gelachen’ (...) ‘en veel hè?’
Het gedicht begint midden in die herinnering, en het eindigt ook niet. Want alleen dan ‘vergeten we niet en nooit dat we veel hebben gelachen’.

De reden van al dat lachen is ‘omdat we samen waren’.
Dat is blijkbaar niet meer het geval, maar de dichter wil dat samenzijn koesteren. Waarbij de vraag rijst: geldt dat ook voor de ander?

1 april 2013 – 776

Gedichtstaren (15)

Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers, de literaire vernieuwers van na de oorlog. Dit titelloze gedicht komt uit de bundel De deur(1979). Een week staren, en lachen.

maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten
want we hebben gelachen en veel hè?
en dat zullen we nooit vergeten om-
dat we zoveel gelachen hebben en dat
niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
en niet en nooit vergeten we dat we zo
hebben gelachen omdat we samen waren
en zoveel gelachen hebben dat we
het nooit zullen vergeten

24 mrt 2013 – 768

Gedichtstaren (14)

‘Nachtdiep water.’
‘Geen bodem waarop schaduw meevaart.’
‘Helder het zwartst.’
Voor de Botshol-zwemmer is het allemaal heel herkenbaar. Midden in het zwarte laagveen, op de grens van Noord-Holland en Utrecht, is het water het donkerst.
Judith Herzberg speelt met de begrippen ‘bots’ en ‘hol’, dat overigens ook ‘moerasland’ betekent. ‘Dit is geen hol, eerder een leegte / geen stootrand voor begrip, begeerte.’ En: ‘Zonder randen ligt het, zonder berm, horizon, houvast.’ Inderdaad, vanaf het gras op het zwemdijkje loop je zo het water in.
Tot slot: ‘Water onder water luistert niet. Likt niets los.’ Dit raadsel kan ik niet oplossen.

3 mrt 2013 – 747

Gedichtstaren (13)

Naar dit gedicht van Judith Herzberg, over een van de mooiste plekken van Nederland, is het mooi staren. Staren is ervaren.

Botshol

Altijd bang in nachtdiep water
dat is bang aan land.

Dit is geen hol, eerder een leegte
geen stootrand voor begrip, begeerte,

noch een grot met ruwe handen
waarin op de tast.

Zonder randen ligt het zonder
berm, horizon, houvast.

Geen bodem waarop schaduw meevaart.
Helder het zwartst.

Onttrekt zich in verte aan verte
onttrekt zich in vlakte.

Water onder water
luistert niet. Likt niets los.

Uit ‘Botshol’, 1980


24  feb 2013 – 740

Gedichtstaren (12)

Het gedicht ‘Kon ik..’ van Chr. J. van Geel (100w 24 jan j.l) is zo kort dat je er lang over kunt praten. De schrijver is niet in staat om ‘woede in zijn deugd te begrijpen’. Woede als deugd is opmerkelijk, want eigenlijk is het een van de zeven hoofdzonden. Al kun je hier ‘deugd’ ook opvatten als de andere kant van de medaille. Dat je boos màg zijn, de terechte boosheid, zo van ‘gooi het eruit’.
Bovendien zou de dichter van woede graag ‘natuur’ maken. Blijkbaar zit het niet in hem, dat hij woedend kan worden. Vandaar de verzuchting.

31 jan 2013 - 716

Gedichtstaren (11)

Chr. J. van Geel (1917-1974) was een dubbeltalent. Allereerst beeldend kunstenaar en daarnaast dichter. Zijn schilderijen en kunst-objecten ken ik (nog) niet. Wel zijn gedichten.
Ik bezit van hem één bundel, Enkele gedichten, verschenen in 1973. Er staan voornamelijk korte natuurgedichten in. Prachtige miniatuurtjes die voor elke liefhebber reden zouden moeten zijn om het boek aan te schaffen.
Uitzondering, maar ook weer niet helemaal, is onderstaand gedicht. In al zijn beknoptheid voldoende om een week naar te staren.

Kon ik..

Kon ik wat woede is
maar in zijn deugd begrijpen
en er natuur van maken
als boom van wortel blad.

24 jan 2013 – 709

Gedichtstaren (10)

‘Heb je niks vrolijkers in deze toch al zo donkere dagen?’ schreef een lezer. Poëzie laat zich niet beteugelen.
Het rouwdicht ‘Omslag’ (nr. 678) van Anna Enquist telt verschillende clichés. Het is niet waar dat zij (haar dochter) dood is. En: Ik spreek haar stiekem toe. Mag het? De dood en de rouw zijn ook clichés. Alleen voor wie het treft zijn het unieke, niet-clichématige fenomenen.
Aan het eind voltrekt zich de ‘omslag’, de acceptatie. Een plaats. En het besef dat zij zich niet meer uitbreidt in mijn tijd. Uitbreiden kan figuurlijk zijn, maar ook letterlijk. Geen moederschap, geen grootmoederschap.

30 dec 2012 – 684

Gedichtstaren (9)

Om een week naar te staren.
Anna Enquist schrijft over haar verongelukte dochter.

Omslag

Nu deze eerste dag van een nieuw jaar,
nu zonder haar. Strijklicht grijpt
het bevroren land. Het is niet waar

dat zij daar in de diepte ligt, dat zij
is weggedaan in een besneeuwde stee
van een bij twee. Maar het is waar.

Wij slijpen haar in steen, wij kerven
in het hout haar naam, wij schrijven
tegen beter weten in haar taal; ik

spreek haar stiekem toe. IJdele onzin,
valse vlijt. Een plaats. En het besef dat zij
zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.

24 dec 2012 – 678

Gedichtstaren (8)

Alleen al op de titel Vijfjarenplan (100w nr. 648) kun je een week staren.
De ik-persoon koestert de onvoorwaardelijke liefde voor de jij-persoon. Tegelijkertijd probeert hij dat te rijmen met de ander, die veel ambitieuzer in het leven staat.
‘Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.’
‘Hou jij van de honderd levens die je wilde leven. Ik hou van dat ene dat is overgebleven.
‘Ik hou van wat is. Jij van wat zou.’
Er valt het nodige te overbruggen, vandaar dat vijfjarenplan. Ten slotte zegt hij: doe maar één ding. ‘Hou jij van mij. Ik hou van jou.’

1 dec 2012 – 655

Gedichtstaren (7)


Vijfjarenplan (Herman de Coninck, 1944-1997)

Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan.
Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.
Jij van je trots, en ik van hoe zacht die kan breken
in mijn armen. Jij van je moed.
Ik van je zwakte nu en dan.

Hou jij van de toekomst. 
Ik van wat voorbij is gegaan.
Hou jij van de honderd levens die je wilde leven.
Ik hou van dat ene dat is overgebleven.
en van hoe je daarom zo ver weg
kunt zijn dicht tegen me aan.

Ik hou van wat is. Jij van wat zou.
Hou jij van mij. Ik hou van jou.

24 nov 2012 – 648

Gedichtstaren (6)

‘Midden in vele bezigheden’ van Tadeusz Rózewicz (100w 617) gaat over de dood. Sterven is ook een levenstaak en het is zaak die niet te veronachtzamen.
De dichter heeft – drukdrukdruk – die plicht verzuimd. Lichtzinnig zelfs, zonder na te denken over de gevolgen. Als hij soms die plicht vervulde, was dat oppervlakkig. Kortom, serieus was hij er niet mee bezig.
Dan komt hij tot inkeer. ‘Vanaf morgen wordt alles anders / begin ik met zorgvuldig sterven’. En dat gebeurt, schrijft hij, ‘verstandig optimistisch / zonder tijdverlies’. Dat woordje ‘optimistisch’ is fraai: in plaats van lichtzinnig wordt het sterven licht.

2 nov 2012 – 626

Gedichtstaren (5)

Tadeusz Rózewicz (1921) behoort tot de grootste Poolse dichters van de naoorlogse tijd. Hij noemt zijn gedichten ook wel ‘dagboekpoëzie’. Flarden en fragmenten van alledag raapt hij op en kneedt hij tot kunst.
Onderstaand gedicht, over leven en dood, is daar een uitgesproken voorbeeld van. Het lijkt me heerlijk om hier een week naar te staren.

Midden in vele bezigheden

Midden in vele bezigheden
die geen uitstel dulden
ben ik vergeten
dat een mens ook moet
sterven

lichtzinnig
verzuimde ik die plicht
of vervulde hem
oppervlakkig

vanaf morgen
wordt alles anders

begin ik met zorgvuldig sterven
verstandig optimistisch
zonder tijdverlies


24 okt 2012 – 617

Gedichtstaren (4)

De laatste twee strofen – een derde – van Heb ik je lief zijn ingeruimd voor antwoorden. Het zijn vanzelfsprekende antwoorden, bijna dooddoeners. ‘Ik heb je lief omdat aarde minder doorzichtig is / dan glas, omdat regent regent uit regen / omdat de dag volgt op de nacht omdat / je spreken kunt’.
Alsof de dichter, na de eenvoudige laatste vraag ‘Heb ik je lief omdat het mooi klinkt?’ tegen zichzelf wil zeggen: niet moeilijk doen, jouw liefde is evident.
De laatste woorden – ‘maar spreek me nu niet tegen’ – roepen weer twijfel op. Ditmaal geen tegenspraak graag. En straks dan?

1 okt 2012 – 594

Gedichtstaren (3)

Heb ik je lief van Hagar Peeters (100w. nr. 586) gaat vier strofen lang over de titelvraag.
De eerste variant – ‘Heb ik je lief zozeer dat er een gat in mij groeit waar alleen jij in past’ – schetst het ideaal dat geliefden elkaar aanvullen. Maar dan:... ‘en dat mijn liefde dan slinkt en jij stikt’. Weg geliefde.
De daaropvolgende overweging kent eenzelfde treurig perspectief: ‘Heb ik je lief dat mijn omarmen van zee jou niet tillen kan en jij verdrinkt’.
Ten slotte laat de dichter de complexiteit varen. ‘Heb ik je lief omdat het mooi klinkt?’ Simpel. Mooi.

30 sept 2012 – 593