Gedichtstaren (16)


Vorm en inhoud versmelten in dit gedicht van Bert Schierbeek (100w nr.768). Al lezende ervaar je de roes van het lachen die onstuitbaar lijkt. Het was namelijk niet zomaar wat lachen, ‘gvd wat hebben we gelachen’ (...) ‘en veel hè?’
Het gedicht begint midden in die herinnering, en het eindigt ook niet. Want alleen dan ‘vergeten we niet en nooit dat we veel hebben gelachen’.

De reden van al dat lachen is ‘omdat we samen waren’.
Dat is blijkbaar niet meer het geval, maar de dichter wil dat samenzijn koesteren. Waarbij de vraag rijst: geldt dat ook voor de ander?

1 april 2013 – 776

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen